Dag 10: Shāh-raku-en & Tuh-luh-bar-din
Vandaag reden we een stuk zuidwaarts naar Cowden, in de buurt van de stad Dollar in Clackmannanshire.
Daar bezochten we The Japanese Garden.
De tuin werd gecreëerd in 1908 door ontdekkingsreiziger Ella Christie.
Na haar bezoek aan Japan in 1907 werd Christie geïnspireerd om een Japanse tuin van 2,8 hectare aan te leggen bij haar huis, Cowden Castle.
Ze nam de vrouwelijke ontwerper Taki Handa, van de Royal School of Garden Design in Nagoya, in dienst om te helpen bij het plannen en ontwerpen van de tuin.
Daarmee werd The Japanese Garden de eerste en enige tuin van
zijn grootte en schaal die door een vrouw werd ontworpen.
De beek op het landgoed werd afgedamd en er werd een uitholling gemaakt om een kunstmatig meer te creëren.
Planten, struiken, bomen en een traditionele stenen lantaarn werden uit Japan geïmporteerd.
Daarnaast werden een vijver met een eilandtuin, een wandeltuin en een thee tuinhuis aangelegd.
Daar moesten we even schuilen voor een hagelbui, er werd een film vertoond over de geschiedenis en heraanleg van de tuin.
Vorig jaar bezocht ook koning Charles III de tuin.
De tuin kreeg de naam Shāh-raku-en, wat 'een plaats van plezier of vreugde' betekent.
In Cowden zijn er vier eilanden van mos en rotsen, vaak geïnterpreteerd als dieren zoals schildpad en kraanvogel, symbolen van geluk en een lang leven in de Japanse cultuur.
Christie kreeg advies over de vorm, het onderhoud en de verdere ontwikkeling van de tuin van professor Jijo Soya Suzuki, hij beschouwde de tuin als de beste Japanse tuin in de westerse wereld.
De kiezeltuin is een typisch element uit de Japanse tuintraditie: een droge landschapstuin (Japans: karesansui).
Het is een plek waar water symbolisch wordt voorgesteld door grind of kiezels.
De kiezeltuin bestaat uit gerangschikte stenen en met mos bedekte 'eilanden'.
Rond deze eilanden ligt geharkt grind waarin patronen worden getrokken die golven of stromend water voorstellen.
Rond deze eilanden ligt geharkt grind waarin patronen worden getrokken die golven of stromend water voorstellen.
In Cowden zijn er vier eilanden van mos en rotsen, vaak geïnterpreteerd als dieren zoals schildpad en kraanvogel, symbolen van geluk en een lang leven in de Japanse cultuur.
De tuin werd door de jaren heen verzorgd door de Japanse tuinman Shinzaburo Matsuo die er woonde en werkte van 1925 tot aan zijn dood in 1937.
Queen Mary of Teck (echtgenote van koning George V) bezocht de tuin aan het einde van de jaren 1930.
In de vijvers zagen we twee witte kikkers, weliswaar gestorven exemplaren maar aan de grote clusters kikkerdril te zien is de voortplanting verzekerd.
Na Christies overlijden in 1949 werd de tuin onderhouden door arbeiders van het landgoed Cowden. In 1963 werd de tuin echter vernield: de theehuisjes en bruggen werden in brand gestoken en de lantaarns en heiligdommen werden in het meer gegooid.
Cowden Castle werd geërfd door Ella’s neef, Bobby Stewart, door een gebrek aan een koper werd het kasteel in
de jaren 50 gesloopt, maar het landgoed bleef in familiehanden.
In 2014 startte Christies achterachternicht Sara Stewart een fondsenwervingscampagne om £1.000.000 in te zamelen voor de restauratie van de tuin.
De tuin wordt nu beheerd door het Cowden Castle SCIO, die stelden professor Masao Fukuhara aan om de restauratie te leiden en ervoor te zorgen dat de authenticiteit van Cowden behouden bleef.
Hij werd gekozen vanwege zijn bewonderde, zorgvuldige restauratie van de Japanse tuinen in Kew Gardens en Tatton Park.
Cowden Japanese Garden werd uiteindelijk in 2019 opnieuw geopend.
Op het einde van de tuin is een deel dat de natuur wat minder wordt beteugeld, aan de ingang van de tuin waren er planten te koop en er was een lunchroom, dit lieten we aan ons passeren, we hadden immers een uitgebreid ontbijt gegeten en dan kan je verder voor de rest van de dag.
Dit was echt de moeite, en het zal in de zomer nog mooier zijn wanneer alles in bloei staat.
We reden verder naar Blackford, in het passeren hadden we gezien dat daar een whisky distilleerderij is.
Het regende en dus een prima schuil gelegenheid.
Tullibardine Distillery (uitgesproken Tuh-luh-bar-din) zou de oudste ter wereld zijn maar de begeleider van de tour ontkrachtte dit meteen, in feite zijn ze hier pas in 1949 begonnen met whisky maken.
De
nieuwe distilleerderij werd gebouwd op het oude brouwterrein en was de
eerste Schotse distilleerderij die werd gebouwd sinds 1900.
De locatie is wel de oudste geregistreerde brouw- en distilleerlocatie in Schotland.
Koning James IV reed in 1488 door het gebied en stopte daar
om een biertje te kopen voor zijn kroning.
Meer over de whisky kom je te weten bij deze hertogin:
De tour onder leiding van Gavin was vermakelijk, informatief en grappig. De man was een gepensioneerde bankbediende en was oorspronkelijk uit Zuid-Afrika afkomstig. Kon dus Afrikaans en gezien dit sterk verwant is aan het Nederlands sprak hij ook enkele woorden.
Uiteraard weinig foto's van de tour zelf, achteraf mochten we meerdere whisky's proeven maar dit beperkten we tot wat nippen gezien er nog met de auto werd gereden, we kregen wel een flesje mee voor thuis.
Wij kochten wel een fles, een lekkere single malt die op sherry vaten heeft gelegen, de Nederlanders kochten niets, zelfs niet dit flesje van £ 20.000...
We reden door naar een parking nabij Stirling, tijdens die rit er naartoe niet toevallig muziek van Serge Devadder, een componist van elektronische muziek die ik kende en waarvan ik gisteren vernam dat hij gestorven is op 59- jarige leeftijd.😢
Een leeftijdsgenoot dus, op zo een moment komt het besef keihard binnen dat we van het leven moeten genieten zolang het kan.
We reden naar die parking om op te laden, we hadden daar vorige week opgeladen en ernaast is een hotel-restaurant waar we gingen een biertje drinken en eten ondertussen.
Om de één of andere reden werkte de RFID kaart niet waar we een week eerder hier wel mee konden opladen...bizar, ook met de VISA kaart lukte het niet.
Gelukkig zijn er veel oplaadpunten in Schotland, veel meer dan we hadden verwacht, een paar honderd meter verder was er een oplaadpark met 68 laadpalen.
Daar ging het wel, tijdens het eten in het restaurant door nog wat verder opgeladen en nu ging het wel met Google Pay.
De compatibiliteit kan beter maar rondreizen met een EV reizen is in Schotland geen probleem, ondertussen hoorden we berichten over droogstaande benzinestations wegens de huidige oorlogen waar we nu eventjes niets van willen horen (voor zover dit lukt).
Ik hou nieuws en media op reis zo ver mogelijk weg, radio en tv staan nooit aan, (digitale) kranten worden niet gelezen.
Wat uit de speakers van de autoradio komt is zelf meegenomen muziek en zelfgemaakte mixen op een USB-stick.
Het eten in The Highland Gate viel mee, erna reden we met een volle batterij naar de B & B in Cladich waar we drie dagen zullen verblijven.
Handig voor ons is dat ze daar een wallbox EV charger hebben voor de gasten, wat comfortabel is en het kost ons de helft minder dan aan een snellader.
Handig voor ons is dat ze daar een wallbox EV charger hebben voor de gasten, wat comfortabel is en het kost ons de helft minder dan aan een snellader.Het regende gedurende de hele autorit, iets voor 21u kwamen we aan.
We hebben geluk met het weer, als het regent is het vaak 's nachts en als we rijden en meestal zijn het korte buitjes.
Cladich House Bed & Breakfast is geen vegan B & B maar ze serveren wel een (volgens de recensies) een lekker vegan ontbijt.
Het thema van herten en Schotse Highlander koeien komt terug in alle kamers van het gastenverblijf.
Kirsty is een heel vriendelijke gastvrouw, we kregen een mooie en verzorgde ruime kamer.
Dag 11: Een architecturale mashup, een Middeleeuwse burcht, een 18e eeuwse hoogoven en de bosfeeën van Glen Creran
De recensies kloppen, het ontbijt is lekker!
We aten er voor het eerst crumpets, dit zijn kleine, dikke, ronde broodjes met een sponsachtige textuur en karakteristieke gaatjes aan de bovenkant.
De zon scheen volop deze ochtend, maar dit is geen garantie voor een droge dag.
We gingen op pad naar Oban, niet mijn favoriete plaats maar daar gaan we deze avond eten.
Tot het zover is, enkele bezienswaardigheden bezoeken.
En wat zeker het bezien waard is, is de St.Conan's Kirk in Dalmally.
Dit moest een paar minuten wachten want hoewel er op de foto's niets dan zon en wat schaapwolkjes te zien is werden we getrakteerd op een fikse hagelbui.
St Conan’s Kirk ligt aan de oever van Loch Awe en is een bijzonder stukje Schots erfgoed, vol geschiedenis, schoonheid en architectonische verrassingen.
Hoewel de kerk eruitziet alsof ze al eeuwen oud is, werd ze pas in 1930 voltooid. Het ontwerp was van Walter Campbell.
Hij woonde op het eiland Innischonam, toen zijn bejaarde moeder de wekelijkse reis naar de mis in Dalmally te zwaar begon te vinden, besloot Walter simpelweg een nieuwe kerk voor haar te bouwen.
Alhoewel hij geen formele opleiding als architect had genoten, weerhield dit hem er niet van deze intrigerende kerk te bouwen.
Een bezoek aan de kerk is gratis, al kun je op verschillende manieren een donatie achterlaten om dit unieke gotische juweel te helpen onderhouden. Dat hebben we uiteraard gedaan, het is eigenlijk verrassend dat hier geen vaste toegangsprijs geldt.Dit ongewone gebouw is een mashup van stijlen, de kerk bevat heel wat historische curiosa zoals een bot van Robert I van Schotland (Robert de Bruce).
Je raakt hier niet uitgekeken; de galerijen met uitzicht op Loch Awe zijn magnifiek.
De mooiste zijde van het gebouw bevindt zich aan de achterkant, met een prachtig uitzicht over Loch Awe.
Ook de waterspuwers zijn hier bijzonder: in plaats van grimmige monsters kan het evengoed een konijntje zijn.
In dit gebouw komen cultureel erfgoed en gemeenschapszin op een mooie manier samen. Tijdens ons bezoek werd er volop voorbereid op een Singing Day: iedereen mocht meedoen, zelfs zonder enig zangtalent. Wij besloten echter wijselijk om ons niet kandidaat te stellen.
Voor een kom warme soep in de tearoom waren we dan weer wél te vinden.
Voor een kom warme soep in de tearoom waren we dan weer wél te vinden.
Echt honger hadden we niet, maar een bord bij de ingang met de vermelding ‘vegan soep’ wist me toch naar binnen te lokken.
Industrieel erfgoed is een vaste waarde op onze reizen. Deze keer trok de Bonawe Iron Furnace onze aandacht.
Het gaat om een industriecomplex uit het midden van de achttiende eeuw, gebouwd voor de productie van ruwijzer.
Het hart van het complex was een hoogoven die werd gestookt met houtskool.
We parkeerden aan Loch Etive en wandelden naar de site. Er waren geen andere bezoekers, waarschijnlijk omdat het complex en het kleine bezoekerscentrum gesloten waren. Bovendien zijn er in deze periode van het jaar sowieso weinig toeristen.
We parkeerden aan Loch Etive en wandelden naar de site. Er waren geen andere bezoekers, waarschijnlijk omdat het complex en het kleine bezoekerscentrum gesloten waren. Bovendien zijn er in deze periode van het jaar sowieso weinig toeristen.
We konden het terrein gewoon verkennen: het hek stond open.
We dwalen graag rond op dit soort
plekken, ooit moet het hier hebben gegonsd van bedrijvigheid, vol vuur
en ijzer, vandaag heerst er stilte, waarin alleen het zachte tortelen
van duiven weerklinkt.
Helemaal alleen waren we echter
niet. De gebouwen huisvesten tientallen duiven, in een grote
opslagplaats lag de duivenmest zelfs een centimeter dik.
Eén gebouw was afgesloten, maar het oog van mijn camera kon toch even naar binnen gluren, twee arbeiders waren aan het werk in de werkplaats, in ieder geval deden ze toch alsof ze aan het werk waren.
Het waterrad van de Bonawe Iron Furnace was een essentieel onderdeel van het hele productieproces. Zonder dat rad kon de hoogoven niet functioneren.
Het rad diende om de blaasbalgen van de hoogoven aan te drijven.
Die blaasbalgen pompten voortdurend lucht in de oven.
Daardoor werd de temperatuur hoog genoeg om ijzererts te smelten tot ruwijzer.
Het waterrad werd aangedreven door een lade te creëren die de rivieren Awe en Nant met elkaar verbond, je kunt nog steeds de route naar de rivier volgen.
Gavin Glencorse was één van de arbeiders die hier twee eeuwen geleden aan de slag was en hij maakte een geluidsopname van het waterrad, gelukkig bestonden er toen al smartphones!
Hij gooide de opname op Soundcloud zodat wij vandaag nog even kunnen luisteren naar een klaterend waterrad uit een ver verleden.
De hoogoven was nog vrij goed bewaard, we konden goed zien waar de blaasbalg stond en de schoorsteen stond ook nog overeind.
Terug op pad! Een eind verder stond een kudde Hooglander koeien in de weide die worden gebruikt voor de productie van vlees.
Prachtige maar uiteraard geen wilde dieren, hun lot zal uiteindelijk het mes van de slachter zijn...
Schotse Hooglander koeien ook worden ingezet voor
natuurbeheer (begrazing) in natuurgebieden, vanwege hun sobere levensstijl en vermogen om ruige vegetatie te eten. We reden verder naar Dunbeg, daar bezochten we Dunstaffnage Castle.
Een gedeeltelijk vervallen kasteel ongeveer 5 km van Oban, het staat op een rotsachtig voorgebergte bij de ingang van Loch Etive en wordt aan drie kanten door de zee omringd.
Dunstaffnage Castle heeft een lange en bewogen geschiedenis. Mogelijk stond hier al in de 7e eeuw een vesting van het koninkrijk Dál Riata.
Wellicht werd hier zelfs een tijd de Stone of Destiny (een langwerpig blok rode zandsteen dat werd gebruikt bij de kroning van Schotse monarchen tot de 13e eeuw) bewaard voordat die naar Scone Palace werd gebracht.
Het huidige kasteel werd in de 13e eeuw gebouwd door de MacDougalls, machtige heren van Lorn. Na hun nederlaag tegen Robert the Bruce in 1308 kwam het in handen van de Schotse kroon. Later werd het toegewezen aan de invloedrijke Clan Campbell, die er kapiteins aanstelden om het kasteel te beheren.
In de 15e en 16e eeuw diende het als uitvalsbasis voor koninklijke expedities in de regio. Tijdens de burgeroorlogen in de 17e eeuw werd het belegerd en later deels in brand gestoken. Ook tijdens de Jacobitische Opstanden werd het door regeringstroepen gebruikt; zelfs Flora MacDonald zat hier korte tijd gevangen.
Vanaf de 18e eeuw raakte het kasteel geleidelijk in verval. Na een brand in 1810 verhuisden de beheerders naar een nabijgelegen huis.
Restauraties begonnen in de 20e eeuw, en sinds 1958 wordt het kasteel beheerd door Historic Environment Scotland en is het toegankelijk voor bezoekers.
De wind joeg rond de muren en nu en dan kregen we een felle hagelbui over ons heen. Het hoofdgebouw, goed bewaard en mooi gerestaureerd, bood een welkome schuilplaats tot de bui weer overwaaide. Lang duurde dat nooit; even later brak de zon alweer door.
Enkele bezoekers hadden zich er rond verzameld (niet op deze foto), en speelden een spel, terwijl buiten de wind rond het kasteel huilde en de hagel tegen de ramen tikte.
En er was hier nog iemand, dit kasteel is de thuis van de Ell-maid, een geest gehuld in groen, die op de muren van het kasteel verschijnt. Ze voorspelt het lot van de familie Campbell: glimlacht ze, dan staat goed nieuws te wachten; huilt ze, dan hangt er gevaar boven het kasteel!
Dat gevaar beperkte zich vandaag tot een hagelbolletje dat in je oog kon terecht komen dus viel het wel mee, we zagen het door de kleine ramen al opklaren buiten.
We liepen naar de ruïnes van de kapel in het bos.
Het was een natte, met mos overgroeide plek, de stilte en het verval deden een verhaal van geesten bijna vanzelf ontstaan.
Volgens de overlevering werd Sir John Stewart op zijn trouwdag aangevallen door de MacDougalls. Hoewel hij dodelijk gewond raakte, wisten zijn mannen hem naar de kapel te brengen, waar hij zijn huwelijk nog kon voltrekken.
Kort daarna overleed hij. Sindsdien wordt de plek beschreven als een plaats waar het spookt van verdriet.
Volgens een oude traditie moet de erfelijke kapitein van het kasteel elk jaar drie nachten doorbrengen in de ruïne. Een ritueel dat zowel eerbied als angst oproept, een confrontatie met de geesten van het verleden.
Er zijn enkele graven in de kapel waarvan één redelijk recent.
Om 17:00u wilden we in Oban zijn, we hadden nog tijd voor een mooie wandeling in Glen Creran nabij Appin, daarvoor namen we de weg over de Connel Bridge die Loch Etive overspant bij Connel...geen idee hoe ze op die naam komen.
Een mooie rit naar Glen Creran, maar iedere rit naar om het even welke plaats in Schotland is prachtig.
Wel af en toe een hagelbui maar na 15u zou het droog blijven.
Nadat de laatste hagelbollen uit de lucht waren geknald begaven we ons op pad, al snel scheen de zon.
De wandeling ging naar de Fairy Bridge, een met mos bedekte stenen voetgangersbrug die is doordrenkt van folklore en lokale legendes.
Dan zijn wij al half gewonnen! Zet ergens een steen in een weiland, verzin er een legende aan, liefst met één of ander mythisch wezen en we zijn verkocht.
Zodra het droog was gingen we op pad.
De brug ligt verscholen in het bos van Glen Creran.
Je bereikt ze via een smal, soms modderig wandelpad.
Je bereikt ze via een smal, soms modderig wandelpad.
Na ongeveer een half uur bereikten we het bruggetje, plaatselijk bekend als Fas Na Cloiche, op dit tijdstip waren er helaas geen feeën te bespeuren...
Wanneer ze zich vertonen, dansen ze op of onder de brug, uiteraard
vooral bij volle maan, dat is nu eenmaal wat feeën doen.
Overdag zie je ze uiteraard niet, dit is wellicht de reden dat er mensen zijn die twijfelen aan hun bestaan...maar bezoekers hebben wel gemeld dat ze vreemde lichten en gefluister in de omgeving hoorden.
De brug, gebouwd uit natuurlijke stenen met een lage boog, overspant een smalle bergbeek.
Door haar vorm lijkt ze haast vanzelf uit het landschap te zijn gegroeid.
De stenen zijn bedekt met mos en
varens, wat de brug een verweerde, natuurlijke uitstraling geeft. Ze
ligt verscholen in een vochtig, dicht bos en ademt daardoor iets geheimzinnigs uit.
Het zachte geruis van het stromende water, samen met de stilte van het bos, zorgt voor een rustige, bijna magische sfeer.
Het zachte geruis van het stromende water, samen met de stilte van het bos, zorgt voor een rustige, bijna magische sfeer.
Door de bomen zag ik dan toch wel een fee zeker!
Opgetogen door deze toch wel verrassende verschijning vatten we de terugweg aan.
Meteen na de aankomst in Oban gingen we naar de winkel van The Highland Soap Company.
We arriveerden iets na 17.00 uur, maar de openingstijden (tot 17:30u) op de website bleken niet te kloppen, want de winkel was al gesloten.
De refill van onze grote fles zal een jaartje moeten wachten...
We waren hier ook om te eten, daarvoor gingen we naar The Lorne Bar.
Het zat vol maar mochten toch plaats nemen gezien we toch niet lang gingen blijven.
We aten er heel lekker, vooral de Vegan Haggis Bites waren geweldig!
Het was een boeiende dag, morgen zal het dat ook zijn want dan duiken we in het verre verleden van deze streek.
We kwamen nog een gitarist in duikerspak tegen.😃
Slàinte!
Jacky De Reviere, 28 maart 2026
Jacky De Reviere, 28 maart 2026








































































































Geen opmerkingen:
Een reactie posten